Het gebruik van betaald educatief verlof (BEV) is erg ongelijk verdeeld over de sectoren. Terwijl de metaalsector er 8,5 keer meer geld uithaalt dan hij erin pompt, ziet de distributiesector slechts een tiende van zijn bijdrage terug.

Dat blijkt uit berekeningen van de socioloog Jan Hertogen, die tot zijn pensioen de studiedienst van de christelijke bediendencentrale LBC leidde.

De explosieve groei van het educatief verlof noopte de federale minister van Werk, Peter Van Velthoven (sp.a), onlangs nog tot besparingsmaatregelen. Maar volgens Hertogen viseren die vooral de individuele gebruikers, terwijl het echte probleem gevormd wordt door sectoren die het systeem gebruiken voor bedrijfsgebonden opleidingen die niet in het stelsel thuishoren.

Hij viseert daarbij vooral de metaalsector. In 2004 haalde die met 3,5 procent van alle loontrekkende werknemers 29,8 procent van de subsidies voor BEV binnen. Dat betekent dat de sector 8,5 keer meer subsidies krijgt dan hij bijdragen betaalt. Aan de andere kant staan de sectoren 'handel en diensten'. Met 17,6 procent van alle werknemers, krijgen die slechts 1,6 procent van het BEV-geld.

De industriŽle sectoren zijn de grootgebruikers van het BEV. Met 37 procent van de werknemers slokken ze 71 procent van het geld op. De dienstensectoren blijven ver achter. De kleine bewakingssector is de uitzondering. De non-profit doet het gemiddeld beter dan de tertiaire profitsectoren.

Vrouwen

Die verschillen zijn voor een deel te verklaren door sociale factoren. In de dienstensectoren is het aandeel van de vrouwen en deeltijdsen groter. Die gebruiken minder vorming.

Maar Hertogen onderstreept dat sommige industriŽle sectoren het stelsel 'leegzuigen' voor puur bedrijfsgebonden opleidingen. De beste remedie is volgens Hertogen de invoering van een vervangingsplicht voor werknemers die gebruikmaken van BEV. IB

De Tijd - 07/11/2006 p.12