BuG 194 Ė Bericht uit het Gewisse Ė 04 september 2013

BuG 194  on-line                            Printversie (10p)

BelgiŽ bij beteren van de klas voor jeugdwerkloosheid in Europa

Werkloosheidsgraad: slechtste meter voor werkloosheid bij jongeren.
Beter is de Werklooszaamheid = % werklozen in de bevolkingsgroep
zoals de Werkzaamheid de werkenden meet als % op de bevolking.
In plaats van een 'te veel' is er een 'te weinig' in de werkloosheid.
In Nederland is 51% van 15-19 jarigen werkend, In Duitsland 29,8%,
in BelgiŽ maar 7,2%. Moet kinderarbeid terug ingevoerd worden?
Hoeveel % van de zogezegde loonhandicap komt voort uit de
extreme jongerentewerkstelling 15-24 jr in de referentielanden?

Alle tabellen zijn afgeleid of komen uit
OESO-rapport Werk 2012

met voor elk van de OESO-landen een erg interessante fiche


 
1. Hoe werkloosheid meten?
 
De werkloosheidgraad is een 'samengestelde' index waarbij het aantal werklozen in verhouding wordt gesteld tot de beroepsbevolking, dwz de werkenden en werklozen samengeteld. Als er bv weinig werkenden zijn in de groep 15-24 jarigen en een 'normaal' aantal werklozen dan zal er toch een hoge werkloosheidsgraad uit blioken, omdat bv veel jongeren nog studeren of niet beroepsactief zijn, dwz noch werkloos, noch werkend is. De werkloosheidsgraad drijft dan het % werklozen op zonder dat de werkloosheid op zich problematisch hoeft te zijn, of niet meer dan elders.

Om maar meteen de positie van BelgiŽ te illustreren met de werklooszaamheid (dwz dezelfde berekeningswijze als de werkzaamheid, dwz als % op de bevolking): 6% van de jongeren tussen 15-24 jaar zijn werkloos in BelgiŽ dat is een erg gunstige situatie in de Europese context die hen dicht bij de situatie in Nederland, Noorwegen en Duitsland brengt en ver van de meerderheid van landen waar  8% of meer van de jongerenbevolking werkloos is. Ook in deze berekening van werkloos zijn scoort Spanje erg hoog met 20,9%, maar in  Griekenland, Ierland, Portugal zijn 12 en 13% van de 15-24 jarigen werkloos. Dat is het 'realistische' beeld van de werkloosheid in deze landen, hoog maar niet extreem.
 
Werkloosheidsdefinitie: de basisgegevens zijn verzameld langs de EnquÍte naar de Arbeidskrachten en de erin gebruikte werkloosheidsdefinitie
:  alle personen boven de leeftijd van 15 jaar, die gedurende de referentieperiode  zonder werk waren (werk = gedurende tenminste 1 uur in de referentieweek), d.w.z. geen werkende in loondienst of zelfstandige waren, direct beschikbaar waren voor werk in loondienst of als zelfstandige, werk zochten, d.w.z. in een recente periode stappen hadden ondernomen om werk in loondienst of zelfstandige te zoeken.

  

     

Werklooszaamheid 15-24 jr: % werklozen op de bevolking 15-24 jr in Europese landen 2002-2011
Landen 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011
Luxemburg 2,4% 3,3% 4,7% 3,9% 4,5% 4,0% 5,2% 5,6% 3,5% 4,2%
Duitsland 4,9% 5,0% 6,0% 7,6% 6,9% 6,1% 5,5% 5,8% 5,0% 4,5%
Noorwegen 7,4% 7,3% 7,2% 7,2% 5,0% 4,3% 4,7% 5,4% 5,3% 4,8%
Oostenrijk 3,4% 3,9% 5,6% 6,1% 5,4% 5,3% 4,9% 6,1% 5,2% 5,0%
Zwitserland 3,9% 5,9% 5,2% 5,8% 5,3% 4,8% 4,7% 5,7% 5,3% 5,2%
Nederland 4,0% 5,2% 6,1% 6,4% 5,1% 4,9% 4,6% 5,5% 6,0% 5,3%
TsjechiŽ 6,4% 6,7% 7,3% 6,5% 5,9% 3,4% 3,1% 5,3% 5,7% 5,4%
SloveniŽ 6,0% 6,1% 6,5% 6,4% 5,6% 4,2% 4,5% 5,6% 5,9% 5,9%
BelgiŽ 6,3% 7,6% 7,5% 7,5% 7,1% 6,4% 6,0% 7,1% 7,3% 6,0%
Hongarije 4,1% 4,1% 4,3% 5,3% 5,1% 4,6% 5,0% 6,5% 6,6% 6,4%
ItaliŽ 9,5% 9,3% 8,4% 8,0% 7,0% 6,3% 6,6% 7,4% 7,9% 8,0%
Frankrijk 7,0% 7,0% 7,5% 7,8% 8,2% 7,3% 7,2% 9,2% 9,0% 8,5%
Polen 15,6% 14,8% 13,8% 12,7% 10,2% 7,2% 5,7% 7,0% 8,2% 8,7%
Estland 6,0% 7,5% 7,4% 5,4% 4,3% 3,8% 4,9% 10,8% 12,4% 8,9%
Denemarken 5,1% 6,0% 5,6% 5,9% 5,4% 5,3% 5,8% 8,4% 9,5% 9,5%
Finland 10,3% 10,6% 10,0% 9,8% 9,4% 8,6% 8,7% 10,6% 10,3% 9,9%
Slovakije 16,3% 13,6% 12,9% 10,9% 9,3% 6,9% 6,1% 8,5% 10,4% 10,0%
Ijsland 4,6% 6,1% 5,8% 5,6% 6,7% 5,8% 6,4% 11,7% 12,0% 10,8%
Portugal 5,5% 6,5% 6,7% 6,9% 6,9% 7,0% 6,8% 7,8% 8,2% 11,7%
Zweden 6,9% 7,2% 8,7% 12,2% 12,0% 10,8% 11,0% 12,7% 13,0% 12,0%
Ierland 4,7% 4,8% 4,7% 5,1% 5,4% 5,5% 6,6% 12,7% 12,4% 12,2%
Veren. Kon. 7,5% 7,8% 7,3% 8,2% 9,2% 9,3% 9,2% 12,2% 12,1% 12,5%
Griekenland 9,7% 9,3% 9,9% 8,8% 8,2% 7,1% 6,7% 8,0% 10,0% 13,0%
Spanje 10,4% 10,8% 10,8% 10,3% 9,4% 9,5% 12,9% 18,8% 19,5% 20,9%

 
Het voordeel van deze berekeningswijze is ook dat meteen gekend is welk het verlies is voor werkzaamheidsgraad, nl het % werkenden op de referentiebevolking. In bovenstaande tabel wordt ook duidelijk hoe per land de werklooszaamheid evolueerde vanaf 2002, in 2008 voor de crisis, gedurende en na de crisis. Voor BelgiŽ blijkt een merkwaardige stabiliteit het laatste decennium in en na de crisis met een forse terugval op het laatste niveau in 2011.
 
De crisis laat wel duidelijk sporen na in de jongerenwerkloosheid in Portugal, Ijsland,Ierland, Verenigd Koninkrijk, Griekenland en vooral Spanje.
 
Het beeld van de Werkloosheidsgraad is vertekenend en geeft een vals beeld van de werkloosheid in termen van impact op de jongerengroep 15-24.



  

Werkloosheidsgraad 15-24 jr: % werklozen op de beroepsbevolking 15-24 jr  2002-2011
Landen 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011
Nederland 5,4% 7,4% 9,0% 9,4% 7,5% 7,0% 6,4% 7,7% 8,7% 7,7%
Zwitserland 5,6% 8,5% 7,7% 8,8% 7,7% 7,1% 7,0% 8,4% 7,8% 7,7%
Oostenrijk 6,2% 7,0% 9,7% 10,3% 9,1% 8,7% 8,1% 10,0% 8,8% 8,3%
Duitsland 9,8% 10,6% 12,6% 15,2% 13,6% 11,7% 10,4% 11,0% 9,7% 8,5%
Noorwegen 11,5% 11,7% 11,7% 12,0% 8,6% 7,3% 7,5% 9,2% 9,3% 8,6%
Slovakije 16,3% 13,6% 12,9% 10,9% 9,3% 6,9% 6,1% 8,5% 10,4% 10,0%
Denemarken 7,4% 9,2% 8,2% 8,6% 7,7% 7,5% 8,0% 11,8% 14,0% 14,2%
Ijsland 7,2% 8,2% 8,1% 7,2% 8,4% 7,2% 8,2% 16,0% 16,2% 14,6%
SloveniŽ 16,5% 17,3% 16,1% 15,9% 13,9% 10,1% 10,4% 13,6% 14,7% 15,7%
Luxemburg 7,0% 10,9% 16,9% 13,7% 16,2% 15,2% 17,9% 17,2% 14,2% 16,8%
TsjechiŽ 16,0% 17,6% 20,4% 19,3% 17,5% 10,7% 9,9% 16,6% 18,3% 18,0%
BelgiŽ 17,7% 21,8% 21,2% 21,5% 20,5% 18,8% 18,0% 21,9% 22,4% 18,7%
Finland 19,5% 20,4% 19,5% 18,9% 17,6% 15,7% 15,7% 21,6% 20,3% 18,9%
Veren. Kon. 11,0% 11,5% 10,9% 12,2% 13,8% 14,2% 14,1% 19,0% 19,3% 20,0%
Estland 17,1% 20,0% 20,9% 15,3% 11,8% 9,8% 11,7% 26,8% 32,0% 21,6%
Frankrijk 18,9% 18,2% 19,7% 20,6% 21,6% 19,1% 18,6% 23,2% 22,9% 22,1%
Zweden 12,5% 13,5% 16,6% 22,0% 21,1% 18,8% 19,2% 24,8% 25,2% 22,9%
Polen 43,9% 43,0% 40,8% 37,8% 29,8% 21,7% 17,3% 20,7% 23,7% 25,8%
Hongarije 12,6% 13,4% 15,5% 19,4% 19,1% 18,0% 19,9% 26,5% 26,6% 26,1%
ItaliŽ 26,3% 26,3% 23,5% 24,0% 21,6% 20,3% 21,3% 25,4% 27,9% 29,1%
Portugal 11,6% 14,5% 15,3% 16,1% 16,2% 16,6% 16,4% 20,0% 22,3% 30,1%
Ierland 9,3% 9,4% 9,3% 9,7% 9,8% 10,0% 12,5% 25,9% 28,7% 30,3%
Griekenland 26,8% 26,8% 26,9% 26,0% 25,2% 22,9% 22,1% 25,8% 32,9% 44,4%
Spanje 22,2% 22,7% 22,0% 19,7% 17,9% 18,2% 24,6% 37,9% 41,6% 46,4%

  
BelgiŽ komt langs de werkloosheidsgraad meteen in de groep van precaire jeugdwerkloosheid terecht met het dubbele van Noorwegen, Duitsland, Oostenrijk en Nederland. Is BelgiŽ zo verschillend van Nederland, of van waar komt ineens dit verschil. De werkloosheidsgraad vertroebelt het beeld omdat geen rekening gehouden wordt met bv de studenten als niet-actieven - hoe meer studenten in de categorie 15-24 jaar, hoe hoger de werkloosheidsgraad - en ook met andere niet-actieven, zoals bv vrouwen of meisjes uit de migratie die niet ingeschreven staan in de werkloosheid.
 
Ook de werkloosheid in Griekenland schiet langs de werkloosheidsgraad als een paddenstoel de hoogte in terwijl er geen werkelijkheid aan beantwoordt, gezien er een hoge graad van niet-activiteit is, dwz een zeer kleine beroepsbevolking en een hoge niet-activiteit. In Spanje is er ook een relatief hoge niet-activiteit die de reeds hoge werklooszaamheid van 20,9% meteen verdubbelt tot 46,4%
 
Met de werklooszaamheid, dwz het % werklozen op de bevolking wordt meteen de omvang duidelijk die werkloosheid aanneemt in de jongerengroep 15-24 jaar.
 
2. De Niet-Activiteitsgraad of niet-actiefzaamheid bij jongeren, een even belangrijke meter
 
De niet-activiteitsgraad is het % jongeren dat niet actief is, dus niet werkend en niet werkloos. Als er dan weinig jongeren werkloos zijn (6% in BelgiŽ) wat doen de anderen dan: werken in beperkte mate maar meer nog studeren of niet-actief zijn, dwz noch werken, noch werkloos zijn. In BelgiŽ is 68% van de jongeren tussen 15 en 24 jaar niet-actief, daarmee staan zij mee aan de kop in Europa. Niet verwonderlijk dat de 'werkloosheidsgraad' relatief hoog is in BelgiŽ gezien maar 32% van de jongeren actief zijn, werkend of werkloos. Werkloosheid gemeten als % op deze 32% actieven geeft direct een te gechargeerd en vertekend beeld. De vraag 'wat te doen met de niet-actieven' wordt dan onder de mat geveegd of als relativering miskend.

  

        

Niet-Actiefzaamheid 15-24 jr: % niet-actieven op de bevolking 15-24 jr in Europese landen 2002-2011
Landen 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011
Ijsland 36,0% 25,8% 27,9% 22,9% 20,5% 19,9% 21,4% 26,6% 26,0% 25,9%
Nederland 26,5% 30,2% 31,8% 31,9% 32,1% 29,6% 28,7% 29,2% 31,0% 31,1%
Zwitserland 30,7% 30,7% 33,0% 34,4% 31,4% 32,6% 32,9% 32,7% 32,2% 31,9%
Denemarken 31,4% 34,4% 32,1% 31,9% 30,1% 29,4% 27,8% 29,1% 32,5% 32,9%
Veren. Kon. 31,5% 32,6% 32,6% 33,1% 33,1% 34,2% 34,4% 36,0% 37,2% 37,3%
Oostenrijk 44,8% 45,0% 42,6% 40,8% 40,6% 39,2% 39,2% 39,5% 41,2% 40,1%
Noorwegen 35,8% 37,4% 38,4% 39,8% 41,9% 40,6% 37,3% 41,5% 42,6% 43,8%
Duitsland 50,3% 52,6% 52,0% 49,8% 49,1% 48,0% 47,3% 47,7% 48,2% 47,3%
Zweden 45,2% 46,7% 47,3% 44,5% 43,3% 42,4% 42,6% 48,9% 48,5% 47,6%
Finland 47,3% 48,0% 48,7% 48,1% 46,4% 45,0% 44,9% 50,8% 49,2% 47,8%
Spanje 53,0% 52,4% 50,8% 47,9% 47,3% 47,6% 47,5% 50,5% 53,1% 55,0%
Estland 65,1% 62,5% 64,5% 64,8% 63,8% 61,3% 58,1% 59,6% 61,2% 58,8%
Ierland 49,5% 49,0% 49,0% 47,0% 45,3% 44,6% 46,9% 51,0% 56,9% 59,6%
Portugal 52,6% 54,9% 56,4% 57,0% 57,3% 58,1% 58,4% 60,8% 63,3% 61,2%
Frankrijk 63,1% 61,6% 61,7% 62,0% 61,9% 61,6% 61,5% 60,2% 60,7% 61,6%
SloveniŽ 63,4% 64,8% 59,7% 59,5% 59,4% 58,2% 57,1% 59,1% 60,1% 62,6%
Polen 64,4% 65,6% 66,1% 66,5% 65,8% 67,0% 66,9% 66,2% 65,5% 66,4%
BelgiŽ 64,3% 65,0% 64,7% 65,0% 65,3% 66,1% 66,6% 67,6% 67,5% 68,0%
Slovakije 56,5% 58,8% 60,6% 63,5% 64,9% 65,5% 67,7% 68,7% 69,0% 69,8%
TsjechiŽ 59,9% 61,9% 64,2% 66,1% 66,5% 68,1% 68,9% 68,2% 69,1% 69,9%
Griekenland 63,8% 65,4% 63,3% 66,3% 67,6% 68,9% 69,8% 69,1% 69,7% 70,8%
ItaliŽ 63,7% 64,7% 64,4% 66,5% 67,5% 69,1% 69,1% 70,9% 71,6% 72,6%
Luxemburg 65,3% 69,6% 72,0% 71,2% 72,2% 73,5% 71,0% 67,7% 75,3% 75,1%
Hongarije 67,4% 69,2% 72,1% 72,9% 73,2% 74,4% 75,0% 75,4% 75,1% 75,3%

 
In tegenstelling met wat men zou kunnen denken is de niet-activiteitsgraad in BelgiŽ (en andere landen) vrij stabiel, crisisbestendig en de laatste jaren licht stijgend in BelgiŽ. Eerder dan een teveel in de werkloosheid (6% naast deze 68%) bestaat er bij de 15-24 jarigen in BelgiŽ en elders (ondermeer Griekenland) een te weinig in de beroepsactieve bevolking, in feite een 'te weinig' in de werkloosheid! In de noordelijke landen, Finland, Zweden, Noorwegen en Denemarken, Duitsland, en vooral Nederland ligt de Niet-Activiteit beneden de 50%, in Nederland zelfs op 31,1%, dus minder dan de helft van BelgiŽ
 
Activiteitsgraad:
Onderstaande grafiek geeft het omgekeerde beeld, de activiteitsgraad of actiefzaamheid: % actieven, dwz werkenden en werklozen samen op de bevolking van 15-24 jaar. 
  

  
In Nederland zijn 68,9% van de jongeren tussen 15 en 24 jaar actief, dwz werkend of werkloos. Gezien Nederland een lage werkloosheidsgraad heeft zijn die allemaal aan het werk. Ligt Nederland op de maan om zulk een ander profiel te hebben dan BelgiŽ? Tijd om de tewerkstelling, dwz de werkzaamheidsgraad als % op de referentiebevolking van naderbij te bekijken.
 
3. De werkzaamheidsgraad, het % werkenden op de bevolking
 
Doordat werkloosheid en vooral de niet-actieven buiten beeld blijven bij de werkloosheidsgraad, geeft de werkzaamheidsgraad alleen een verhullend beeld over de toestand van werkenden in de groep 15-24 jarigen. In BelgiŽ is 26% van de jongeren werkend en 6% werkloos, dus 32% beroepsactief en 68% niet-actief (student, leefloon, zonder statuut). Met een werkzaamheidsgraad van 26% scoort BelgiŽ erg slecht in Europa en staan ze niet veraf van Spanje en ItaliŽ. Daartegenover staan de zogenaamd 'goed presterende landen' met Nederland aan de kop met 63,6% werkenden bij de 15-24 jarigen. Daar mag men zich even bij neerzetten en het cijfer tot zich laten doordringen. In Nederland, een land waar men zich een en ander bij kan voorstellen zijn 2/3 van de jongeren tussen 15 en 24 jaar aan het werk, dwz presteren loonarbeid of werken als zelfstandige. In BelgiŽ is dat 26% of een goed stuk minder dan de helft van Nederland. Ook Duitsland met een werkzaamheidsgraad van 48,8% sluit het peloton van de werkzamen af.

 

    

Werkzaamheid 15-24 jr: % werkenden op de bevolking 15-24 jr in Europese landen 2002-2011
Landen 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011
Griekenland 26,5% 25,3% 26,8% 24,9% 24,2% 24,0% 23,5% 22,9% 20,3% 16,2%
Hongarije 28,5% 26,7% 23,6% 21,8% 21,7% 21,0% 20,0% 18,1% 18,3% 18,3%
ItaliŽ 26,8% 26,0% 27,2% 25,5% 25,5% 24,6% 24,3% 21,7% 20,5% 19,4%
Slovakije 27,2% 27,6% 26,5% 25,6% 25,8% 27,6% 26,2% 22,8% 20,6% 20,2%
Luxemburg 32,3% 27,1% 23,3% 24,9% 23,3% 22,5% 23,8% 26,7% 21,2% 20,7%
Spanje 36,6% 36,8% 38,4% 41,8% 43,3% 42,9% 39,6% 30,7% 27,4% 24,1%
TsjechiŽ 33,7% 31,4% 28,5% 27,4% 27,6% 28,5% 28,0% 26,5% 25,2% 24,7%
Polen 20,0% 19,6% 20,1% 20,8% 24,0% 25,8% 27,4% 26,8% 26,3% 24,9%
BelgiŽ 29,4% 27,4% 27,8% 27,5% 27,6% 27,5% 27,4% 25,3% 25,2% 26,0%
Portugal 41,9% 38,6% 36,9% 36,1% 35,8% 34,9% 34,8% 31,4% 28,5% 27,1%
Ierland 45,8% 46,2% 46,3% 47,9% 49,3% 49,9% 46,5% 36,3% 30,7% 28,2%
Frankrijk 29,9% 31,4% 30,8% 30,2% 29,9% 31,1% 31,3% 30,6% 30,3% 29,9%
SloveniŽ 30,6% 29,1% 33,8% 34,1% 35,0% 37,6% 38,4% 35,3% 34,0% 31,5%
Estland 28,9% 30,0% 28,1% 29,8% 31,9% 34,9% 37,0% 29,6% 26,4% 32,3%
Zweden 48,0% 46,1% 44,0% 43,3% 44,7% 46,8% 46,4% 38,4% 38,5% 40,4%
Finland 42,4% 41,4% 41,3% 42,1% 44,2% 46,4% 46,4% 38,6% 40,5% 42,3%
Duitsland 44,8% 42,4% 42,0% 42,6% 44,0% 45,9% 47,2% 46,5% 46,8% 48,2%
Veren. Kon. 61,0% 59,6% 60,1% 58,7% 57,7% 56,5% 56,4% 51,8% 50,7% 50,2%
Noorwegen 56,8% 55,3% 54,4% 53,0% 53,1% 55,1% 58,0% 53,1% 52,1% 51,4%
Oostenrijk 51,8% 51,2% 51,8% 53,1% 54,0% 55,5% 55,9% 54,5% 53,6% 54,9%
Denemarken 63,5% 59,6% 62,3% 62,2% 64,5% 65,3% 66,4% 62,5% 58,1% 57,6%
Zwitserland 65,4% 63,4% 61,8% 59,8% 63,3% 62,6% 62,4% 61,6% 62,5% 62,9%
Ijsland 59,4% 68,1% 66,3% 71,5% 72,8% 74,3% 72,2% 61,7% 62,0% 63,3%
Nederland 69,5% 64,6% 62,1% 61,7% 62,8% 65,5% 66,7% 65,3% 63,0% 63,6%

 
Gaat het in Nederland en Duitsland om de mini-jobs, om studentenjobs die als ťcht werk aanzien worden, is het omdat in Nederland de leerplicht maar tot 16 jaar loopt, of omdat in BelgiŽ contracten onder de 1/3 jobtime verboden zijn, terwijl deze in Nederland en Duitsland legio zijn. Is het omdat in Nederland stages in het kader van studies als 'werk' ingeschreven worden en in BelgiŽ niet. In Nederland bv was de beginleeftijd voor tewerkstelling, blijkens een Europees onderzoek van een paar jaar geleden 17,5 jaar terwijl dit in BelgiŽ 21,5 jaar was. Een verschil van 4 jaar dus.
 
Maar dan blijft de grootste discrepantie bestaan in het feit dat in BelgiŽ en andere landen de niet-activiteit, dus het niet tot de beroepsactieven behoren de grootste deuk in het aantal werkenden ťn werklozen slaat. En moet het beleid daar dan niet sterker op gericht worden, zoals Leterme liet verstaan bij de voorstelling van het Europees rapport over de jeugdwerkloosheid en waar ook Ivan Van De Cloot naar verwees bij z'n bespreking ervan. Niet de werkloosheid maar de niet-activiteit is het probleem, het niet ingeschreven staan in de werkloosheid, het geen gebruik maken van de alternatieve financiering, waarover De Nul en Co zo'n grote mond hebben open gezet.
 
En moeten niet dringend de statistische batterijen aangepast worden zodat deze elementaire gegevens in het vervolg wel onmiddellijk in beeld gebracht worden. Nu komt er redelijk wat rekenwerk aan te pas om deze elementaria uit de gepubliceerde tabellen te halen.
 
4. En wat als de 15-19 jarigen apart genomen worden?

 
En wat met 'kinderarbeid', halen Nederland, Duitsland en andere landen hieruit een strategisch voordeel door het werken onder de 18 jaar toe te laten, aan te moedigen en in zulk een groot volume te realiseren? Wat is het beeld als de 15-19 jarigen en de 20-24 jarigen apart genomen worden?
 
In de OESO-tabellen wordt geen totaalgegeven voor jongens en meisjes gegeven om het onderscheid 15-19 en 20-24 jaar te maken, wel voor jongens en meisjes apart. Deze verschillen onderling niet sterk volgens geslacht zodat enkel de tabellen voor de jongens gegeven wordt en de grafieken voor jongens en voor meisjes.
 


   

Werkzaamheid jongens 15-19 jr: % werkende jongens op de bevolking 15-19 jaar 2002-2011
Landen 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011
Hongarije 5,6% 4,8% 4,5% 4,0% 4,2% 3,7% 3,5% 2,4% 2,1% 2,2%
Slovakije 4,9% 4,6% 4,2% 3,2% 4,7% 5,3% 5,7% 4,2% 2,7% 2,5%
Griekenland 10,6% 9,6% 10,3% 9,1% 9,4% 9,4% 8,6% 8,3% 5,9% 4,5%
TsjechiŽ 7,9% 6,9% 5,7% 5,6% 6,2% 6,5% 6,6% 6,1% 5,2% 4,8%
ItaliŽ 13,5% 12,6% 12,1% 10,8% 10,7% 9,8% 9,3% 7,2% 6,4% 5,3%
Polen 6,2% 6,6% 6,8% 6,3% 7,2% 7,7% 7,3% 6,5% 7,0% 6,3%
BelgiŽ 10,3% 8,5% 8,3% 8,5% 8,5% 7,9% 9,1% 8,0% 6,9% 7,2%
Estland 9,6% 12,8% 9,1% 9,7% 11,7% 13,2% 11,6% 6,3% 2,9% 7,2%
Spanje 23,4% 22,1% 22,9% 25,7% 25,6% 26,4% 21,1% 13,0% 9,7% 7,7%
Portugal 25,5% 22,0% 20,7% 16,7% 15,8% 15,9% 14,6% 11,9% 9,6% 7,9%
Luxemburg 13,0% 9,1% 7,0% 8,7% 7,3% 8,6% 11,4% 11,8% 9,2% 8,3%
Ierland 26,6% 26,5% 25,1% 26,5% 27,6% 25,4% 21,7% 14,0% 10,6% 8,7%
Frankrijk 14,2% 14,8% 14,1% 14,7% 14,3% 15,7% 15,1% 13,6% 14,4% 12,8%
SloveniŽ 11,5% 9,9% 16,7% 16,1% 17,2% 21,2% 19,1% 15,8% 15,2% 15,2%
Zweden 29,0% 25,9% 24,2% 23,0% 26,1% 26,3% 25,1% 18,3% 18,0% 17,9%
Finland 25,7% 24,7% 23,9% 24,8% 26,8% 27,3% 26,6% 16,5% 21,5% 24,5%
Duitsland 29,5% 26,7% 27,9% 28,6% 29,2% 30,6% 31,9% 31,0% 30,1% 29,8%
Veren. Kon. 50,4% 48,6% 48,5% 46,8% 43,3% 41,0% 41,5% 36,4% 33,0% 31,0%
Noorwegen 40,0% 38,4% 37,3% 36,1% 36,0% 37,8% 42,1% 36,0% 34,7% 33,1%
Oostenrijk 43,1% 42,2% 41,7% 42,5% 44,3% 45,3% 44,9% 43,6% 44,8% 45,0%
Denemarken 55,9% 51,4% 54,5% 55,0% 55,2% 56,1% 59,1% 53,8% 47,1% 46,7%
Ijsland 42,4% 62,3% 55,0% 60,5% 63,3% 65,0% 61,5% 48,0% 50,5% 50,4%
Nederland 59,7% 53,9% 51,0% 51,0% 52,5% 55,1% 57,8% 55,4% 52,5% 52,2%
Zwitserland 55,1% 54,5% 50,6% 50,7% 52,5% 52,1% 53,4% 50,7% 52,8% 54,5%

  
Toch wel een opmerkelijke tabel omdat ze aanduidt dat in sommige landen meer dan de helft van de 15-19 jarigen meetellen voor de werkgelegenheidsstatistiek, Nederland op kop en ook Duitsland met 29,8% schakelt jongeren (kinderen?) structureel in als 'werkenden'. In BelgiŽ is dat met 7,2% veel minder het geval. Door deze hoge werkgelegenheid bij 15-19 jarigen zakt de werkloosheidsgraad natuurlijk ver onder deze van BelgiŽ. De werklooszaamheid (% werklozen op de bevolking) laat daarom al een heel ander beeld zien, cfr supra.
  


  

Werkzaamheidsgraad 20-24 jarigen
  

 
  

Werkzaamheid jongens 20-24 jr: % werkende jongens op de bevolking 20-24 jaar 2002-2011
Landen 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011
Griekenland 50,9% 50,0% 51,5% 47,8% 47,8% 47,1% 46,4% 45,5% 42,5% 35,5%
Hongarije 53,1% 51,8% 46,5% 43,6% 43,9% 43,8% 42,2% 36,6% 36,8% 35,9%
Spanje 55,3% 56,1% 58,4% 61,8% 63,5% 63,1% 58,2% 45,6% 41,2% 36,0%
Luxemburg 58,9% 46,9% 45,1% 48,4% 44,5% 43,9% 43,5% 46,7% 35,9% 37,4%
ItaliŽ 48,3% 47,5% 48,5% 47,3% 49,0% 48,5% 48,5% 44,4% 41,4% 40,0%
Slovakije 52,0% 53,5% 51,3% 51,4% 51,1% 54,1% 53,5% 46,8% 42,1% 44,3%
Ierland 71,1% 70,2% 72,5% 71,3% 75,4% 75,1% 70,1% 53,3% 47,8% 45,1%
BelgiŽ 53,0% 50,1% 50,9% 50,8% 52,6% 52,7% 51,0% 47,1% 47,4% 47,3%
TsjechiŽ 63,5% 60,0% 55,0% 55,2% 55,1% 57,3% 55,7% 53,1% 50,5% 49,1%
Portugal 65,9% 59,8% 58,1% 59,8% 59,4% 59,3% 60,0% 53,0% 50,0% 49,5%
Polen 37,0% 36,4% 37,1% 37,7% 44,8% 49,0% 53,1% 52,8% 51,3% 49,7%
SloveniŽ 53,2% 53,5% 57,7% 57,5% 57,7% 61,5% 61,1% 56,3% 53,9% 50,8%
Frankrijk 54,0% 55,3% 55,3% 53,6% 53,5% 53,7% 54,3% 52,0% 52,0% 52,5%
Estland 64,7% 63,7% 61,9% 60,8% 64,4% 65,8% 67,4% 54,0% 48,6% 55,0%
Zweden 64,3% 63,1% 62,3% 60,6% 62,1% 66,1% 66,8% 59,4% 58,3% 60,8%
Finland 63,5% 61,7% 61,7% 62,2% 66,7% 69,5% 70,2% 54,8% 59,7% 61,8%
Veren. Kon. 73,3% 72,5% 73,6% 72,1% 71,1% 71,4% 70,0% 64,8% 65,0% 65,5%
Ijsland 75,1% 73,1% 73,2% 75,8% 76,4% 81,2% 78,0% 64,2% 65,3% 66,0%
Denemarken 76,1% 71,9% 73,4% 74,2% 76,1% 77,9% 76,4% 71,2% 66,9% 66,7%
Duitsland 63,8% 61,4% 59,9% 61,3% 63,4% 65,7% 66,9% 65,0% 65,5% 67,2%
Noorwegen 69,8% 68,8% 68,3% 68,2% 72,1% 71,9% 74,8% 69,2% 68,4% 68,0%
Zwitserland 75,3% 73,8% 73,7% 70,7% 76,5% 78,0% 73,7% 70,9% 74,9% 72,6%
Nederland 80,3% 77,2% 74,7% 74,0% 76,3% 79,3% 78,0% 75,4% 72,6% 73,1%
Oostenrijk 69,3% 68,9% 69,6% 70,2% 71,4% 73,4% 73,7% 70,8% 70,7% 73,6%

 
Ook wat tewerkstelling van 20-24 jarigen betreft scheert BelgiŽ geen toppen, vooral omwille van de niet-activiteit en niet omwille van de hoge werkloosheid. Ook hier hebben Nederland en Duitsland 'volwassenenscores, alsof er geen hoger onderwijs gevolgd wordt in deze landen. Spanje en Griekenland hebben een erg lage werkzaamheidsgraad in deze leeftijdscategorie zodat de werkloosheidgraad extreem hoog wordt omdat de noemer (beroepsbevolking) zo laag is, en niet omdat de werkloosheid in volume op de bevolking zo groot is.
 


   

5. Is er dan geen probleem met de jeugdwerkloosheid in Europa of moet de kinderarbeid terug ingevoerd?

Om een probleem te situeren moet het juist geÔndiceerd worden en met de werkloosheidsgraad als maatstaf is dat compleet onmogelijk. Dus best eens de feitelijke situatie onder ogen nemen met % op de referentiebevolking. De vraag kan daarbij gesteld of de klassieke voorstelling van de werkloosheid geen onderliggend doel dient.

6. 'Loonhandicap' ook door extreme jongerentewerkstelling in referentielanden?

Door vooral de jongerentewerkstelling te besmetten met de werkloosheidsgraad (werkzaamheidsgraad heeft de bevolking als noemer, de werkloosheidsgraad de beroepsbevolking) wordt het moeilijker om de verschillen in loonkost te duiden vanuit de hogere tewerkstellingsgraad in Nederland en Duitsland. Maw, hoeveel % van de zogezegde loonhandicap komt voort uit het massaal inbrengen van 15-24 jarigen in het tewerkstellingscirquit, aan welke loonvoorwaarden, aan welke jobtime? De mini-jobs, de nuluurcontracten, het ontbreken van een gewaarborgd minimum maandloon laten toe de zwaksten op de arbeidsmarkt aan goedkope prijzen flexibel in te schakelen. Als Nederland meer dan de helft van de 15-19 jarigen als werknemer op de arbeidsmarkt toelaat, gaat het dan niet om een verdoken vorm van kinderarbeid? Moet BelgiŽ z'n zogezegd loonkostenhandicap ondermeer niet dichten met het herinvoeren van flexibele, nuluurcontracten of minijobs voor jongeren van 15 tot 19 jaar en ouder?

 
BuG 194  on-line         Printversie (10p)

Tabellen uit OESO-rapport Werk 2012

 
Jan Hertogen
, socioloog
www.npdata.be
0487 335 552